De prachtige Spaanse film Sorda is sinds half augustus in de bioscoop te zien. We maken kennis met een dolverliefd koppel dat misschien heel gewoon lijkt, tot we begrijpen dat de man horend is en de vrouw doof. Doordat hij gebarentaal heeft geleerd, is communicatie geen probleem. Maar wanneer ze een kindje verwachten, wordt alles op zijn kop gezet. Zal hun baby dezelfde handicap hebben als zijn mama?
We zien steeds vaker films over mensen met een handicap, en maar goed ook. Het overheersende beeld van een normatieve en uniforme samenleving stemt immers niet overeen met de werkelijkheid, omdat het minderheden uitsluit. Gelukkig brengen steeds meer films, series en boeken daar verandering in. De regisseur van de film Sorda brengt een weinig besproken onderwerp in beeld: een kinderwens hebben en ouder worden wanneer je een handicap hebt.
Vanaf de allereerste scènes verdwijnt het geluid in de film: het kabbelen van het water, het blaffen van een hond en het ruisen van de wind verdwijnen doelbewust. Dankzij die radicale stilte (die aan het einde nog intenser wordt) ervaren we de wereld zoals het hoofdpersonage Ángela. Zij wordt vertolkt door Miriam Garlo, de eerste dove actrice die de hoofdrol speelt in een Spaanse film. De wegdeemsterende klanken zijn meer dan een verteltechniek. De zintuiglijke onderdompeling nodigt ons uit om een onzichtbare handicap te begrijpen en te ervaren hoe doofheid de interactie met de wereld vormgeeft.
Ouderschap en handicap staan centraal
Sorda gaat evenwel niet alleen over de handicap van Ángela, maar onderzoekt ook haar angsten en twijfels die het moederschap met zich meebrengen. Hoe ga je om met de angst dat je niet alle eigenschappen van de geluidswereld aan je kind kan doorgeven en hoe beïnvloedt die vrees de band met je kind? Hoe blijf je als koppel in balans wanneer je referentiepunten beginnen te wankelen? Héctor, de partner van Ángela, wordt gespeeld door Álvaro Cervantes. Hij leerde speciaal voor deze rol gebarentaal en belichaamt die kwetsbare dialoog tussen twee werelden: de dove en de horende. De film toont op een treffende manier de spanningen en misverstanden die samengaan met het ouderschap waarbij ook een handicap meespeelt, maar ook de tederheid.
Een intiem verhaal, geïnspireerd door het echte leven
Dat Sorda zo waarheidsgetrouw is, hoeft niet te verbazen. Regisseur Eva Libertad putte immers inspiratie uit haar persoonlijke leven. De hoofdrolspeelster Miriam Garlo is namelijk haar zus. Het script is gebaseerd op hun gesprekken. Hoewel het levensechte verhaal steunt op persoonlijke ervaringen, is de film niet autobiografisch. Die authenticiteit geeft de film een zeldzame kracht die fictie overstijgt en in de buurt komt van een gevoelige documentaire.
Zoals elders in de wereld maken de gezondheidsautoriteiten in België zich zorgen over de vaccinatiegraad van kinderen tegen mazelen, bof en rubella (MBR). Hoewel het vaccin gratis is en ondanks de inspanningen van instellingen, krijgt momenteel slechts 82% van de Belgische kinderen de tweede dosis van het MBR-vaccin. Dat ligt ver onder de drempel van 95% die nodig is om groepsimmuniteit te garanderen. Is desinformatie de boosdoener?
De cijfers zijn alarmerend, vooral omdat Europa een ongekende toename van voorkombare ziekten doormaakt: in 2024 werden meer dan 125.000 gevallen van mazelen en bijna 300.000 gevallen van kinkhoest geregistreerd. Dat is het resultaat van een gevaarlijke cocktail van desinformatie, een gedaald vertrouwen in medische instellingen en een moeilijke toegang tot vaccinatie.
Verontrustende desinformatie
Na de recente en tragische dood in Liverpool van een kind aan de mazelen, wordt het debat opnieuw gevoerd. Volgens een Franstalig artikel van het persbureau AFP “werden socialenetwerksites overspoeld door complottheorieën, verspreid door influencers die antivaxer zijn. Sommigen aarzelen niet om zonder enig bewijs te beweren dat mazelen niet gevaarlijk is of dat vaccins autisme veroorzaken – een misvatting die voortkomt uit een weerlegd onderzoek uit 1998. In het VK en in de VS vinden die ideeën echter weerklank tot bij de hoogste politieke echelons.” Daardoor zijn jonge ouders steeds wantrouwiger, terwijl ze soms al van bij de geboorte van hun kind aan die desinformatie worden blootgesteld. De Wereldgezondheidsorganisatie luidt de noodklok: desinformatie bedreigt decennialange vooruitgang op het gebied van volksgezondheid.
In België zijn er oplossingen, maar die moeten worden versterkt
Gezien de ernst van de situatie nemen de autoriteiten van de Federatie Wallonië-Brussel steeds meer initiatieven. In een Franstalig persbericht roept Valérie Lescrenier, de Waalse minister voor Kinderopvang, op “de artsen een actievere rol te laten spelen, van wie velen het gratis vaccin waarover ze beschikken nog steeds niet gebruiken”. Ze benadrukt ook de cruciale bijdrage van verpleegkundigen in de teams voor gezondheidspromotie in scholen (PSE’s) en van de kind-ouderpartners (PEP’s) op kraamafdelingen. Betere informatie vanaf de geboorte kan immers het verschil maken: wanneer ouders uit het ziekenhuis worden ontslagen, zouden ze systematisch moeten worden gewezen op het belang van de twee doses van het vaccin. Hoewel de eerste dosis (op 12 maanden) over het algemeen goed wordt opgevolgd, wordt de tweede dosis (op lagereschoolleeftijd) – vaak niet meer toegediend. Nochtans zijn beide nodig voor een effectieve bescherming.
In hetzelfde persbericht benadrukt Waals parlementslid Sophie Fafchamps dat “vaccinatie niet alleen het gevaccineerde kind beschermt, maar ook anderen, vooral de meest kwetsbaren”. Nu meer mensen terugkeren van vakantie, zullen er waarschijnlijk nieuwe gevallen opduiken in België. Het is dus hoog tijd voor collectieve actie.
Je eerste woordjes Nederlands nog voordat je kan lopen? Dat is de ambitie van de Vlaamse regering, die Nederlands leren vanaf de eerste levensmaanden wil bevorderen. Begin juli werd daartoe een reeks maatregelen goedgekeurd om blootstelling aan het Nederlands vanaf het kinderdagverblijf algemeen te maken.
Dat beleid wordt voorgesteld als “noodzakelijk om slechte schoolresultaten tegen te gaan”, maar lokt felle kritiek uit – niet in het minst van de onderwijsvakbonden.
Doelstelling: Nederlands spreken vanaf het kinderdagverblijf
Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) is er absoluut van overtuigd dat de strijd tegen onderwijsongelijkheden al in de eerste levensjaren moet beginnen. Zodra ze 1 jaar zijn, zullen kinderen meer worden blootgesteld aan Nederlands in kinderopvangvoorzieningen. Minister van Welzijn Caroline Gennez (Vooruit) heeft een budget van 12 miljoen euro vrijgemaakt om het Nederlandstalig onderwijsaanbod in kinderdagverblijven en kinderopvangvoorzieningen te versterken. Vanaf 2,5 jaar worden zogenaamde instapsprongen georganiseerd, waarbij peuters op een speelse manier hun eerste woordjes Nederlands ontdekken. Bovendien kunnen de ouders erbij worden betrokken.
Een preventielogica die extra druk met zich meebrengt
Het idee is om al op zeer jonge leeftijd taalachterstand te voorkomen omdat die goede schoolresultaten in de weg staat. Vandaag spreekt meer dan 27% van de schoolgaande kinderen in Vlaanderen thuis geen Nederlands. Tien jaar geleden was dat 18%. Volgens minister Demir moeten we snel ingrijpen, voordat de kloof groter wordt.
Die preventielogica gaat echter ook samen met maatregelen die de werkdruk verhogen:
In het kleuter- en lager onderwijs wordt extra taalondersteuning in kleine groepen verplicht voor kinderen met een taalachterstand en komen er zogenaamde taalheldklassen.
In het middelbaar onderwijs kunnen leerlingen worden verplicht om drie uur per week extra Nederlands te volgen.
Op zomerscholen kunnen kinderen hun achterstand ook buiten het schooljaar inhalen.
Ambitieuze maatregelen, maar tegen welke prijs?
Hoewel er een algemene consensus is over de inhoud van het project (de onderwijstaal van bij de start beter beheersen), is dat veel minder het geval voor de concrete uitvoering en de middelen. Volgens verschillende vakbonden houdt de hervorming geen rekening met de realiteit op het terrein.
“Hoe gaan we dit klaarspelen met het huidige lerarentekort?” vraagt Marc Borremans van de ACOD zich af.
Volgens cijfers van de vakbonden is in Vlaanderen 10% tot 15% van de onderwijsfuncties vacant. In Brussel en Gent loopt dat zelfs op tot 27%. Bovendien treft dat tekort vooral scholen met leerlingen met een taalachterstand bijzonder hard.
“Voordat we hervormingen op deze schaal doorvoeren, moeten we de bestaande teams versterken. Simpelweg nieuwe opdrachten toevoegen gaat niet”, waarschuwt Marianne Coopman, algemeen secretaris van de onderwijsvakbond COV.
Ook de ouders worden betrokken
Het plan van de Vlaamse overheid gaat nog verder: anderstalige ouders worden ook betrokken. Ze kunnen deelnemen aan informatiesessies om hun kind beter te begeleiden. Uiteindelijk wil minister Demir dat Nederlands leren een voorwaarde wordt om schooltoelagen te krijgen, wat sommige verenigingen die ijveren voor sociale rechten zorgwekkend vinden.
Kortom: een ambitieus project dat vragen oproept
Het Vlaamse plan is gebaseerd op een sterk principe: hoe vroeger kinderen worden blootgesteld aan de onderwijstaal, hoe beter hun slaagkansen. Maar zonder aanzienlijke investeringen in onderwijsfuncties dreigt het de ongelijkheden nog groter te maken. Daarnaast zullen scholen overbelast raken en nu al kwetsbare gezinnen geviseerd worden. De hamvraag is dus wie dit project zal uitvoeren en tegen welke menselijke en educatieve kosten?
Brusano publiceerde zopas een nieuwe Focus, gericht op professionals uit de sociale en gezondheidssector, met als doel hen beter uit te rusten om zwangere personen, jonge kinderen en hun families te begeleiden. Dit beknopte document biedt een overzicht van de beschikbare ondersteuningsmogelijkheden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met als doel de samenwerking tussen actoren te bevorderen en bij te dragen aan de vermindering van gezondheidsongelijkheden.
Born in Brussels heeft actief deelgenomen aan de ontwikkeling en verspreiding ervan, met name tijdens de territoriale infosessies (binnen de verschillende zorgregio’s) en het presentatiewebinar.
EEN NOG TE FRAGMENTARISCH PERINATAAL TRAJECT
Born in Brussels weet maar al te goed: ondanks het brede aanbod aan diensten blijft het prenatale en postnatale traject vaak moeilijk te doorlopen voor gezinnen. Gebrek aan coördinatie, beperkte toegang tot bepaalde zorg, onduidelijke informatie of administratieve barrières… Dit zijn obstakels die vooral kwetsbare doelgroepen treffen. Als antwoord hierop stelt Brusano een gestructureerd document voor, gericht op de eerstelijnsprofessionals: Focus nr. 7 – Perinatale zorg: ondersteunings- en begeleidingsaanbod. Het kadert binnen een collectieve aanpak die tot doel heeft de kwaliteit en de vlotheid van de begeleiding tijdens de eerste 1000 dagen te verbeteren.
DUIDELIJK EN ACTUEEL OVERZICHT VAN DE BESCHIKBARE HULPMIDDELEN
Deze Focus bundelt op een beknopte manier:
De belangrijkste fasen van het perinatale traject (voor, tijdens en na de geboorte),
De soorten mobiliseerbare structuren en voorzieningen (ONE, kraamzorg, verenigingen, ziekenhuisdiensten, enz.),
Specifieke middelen voor complexe situaties (geestelijke gezondheid, verslavingen, kwetsbaarheid, enz.),
Evenals initiatieven die de wederzijdse bekendheid tussen professionals bevorderen.
Het is ontworpen als een praktisch instrument voor screening en oriëntatie, aangepast aan de realiteit op het terrein.
EEN COLLECTIEVE DYNAMIEK BINNEN DE BRUSSELSE ZORGBASSINS
Om de verspreiding van de Focus te ondersteunen, organiseerde Brusano meerdere infosessies binnen de verschillende zorgregio’s van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Deze bijeenkomsten stelden professionals in staat om vertrouwd te raken met de inhoud van het document, concrete situaties te bespreken en de beschikbare doorverwijzingen binnen hun regio te identificeren.
Het team van Born in Brussels, betrokken bij de coördinatie van perinatale actoren in Brussel, nam deel aan deze sessies als spreker. Onze coördinator, Emmanuelle Vanbesien, trad ook op tijdens het presentatiewebinar van de Focus, samen met andere sectorexperts, om de tools van het platform bekend te maken en de appropriaties ervan te versterken.
De Brusselse Raad voor gelijkheid tussen vrouwen en mannen (RGVM) organiseerde een conferentie met als titel “Overvolle crèches, overweldigde ouders: welke oplossingen voor Brussel?” Op die conferentie waren verenigingen uit de kinderopvangsector, kinderverzorgsters, politieke vertegenwoordigers en natuurlijk ook ouders aan wie deze kwestie aanbelangt. Ook Born in Brussels was van de partij.
Foto : Samuel Walheer
Na de publicatie van een initiatiefadvies van de RGVM in december 2024 was dit een logisch onderwerp voor deze conferentie. Het is namelijk zo dat de kinderopvangsector het al een aantal jaren moeilijk heeft. Dat is dan ook waarom de kinderverzorgsters in 2023 aan de alarmbel hebben getrokken: de sector van de kinderopvang vraagt substantiële hulp. De sector kent meerdere problemen, waaronder een tekort aan plaatsen in de kinderopvang, vooral in de armste gemeenten, bekritiseerde werkomstandigheden, een gebrek aan erkenning en financiële waardering en een personeelstekort omdat de sector minder aantrekkelijk is geworden. De verdeling van de bevoegdheden op beleidsniveau in Brussel maakt het ook niet gemakkelijker voor de sector om het hoofd boven water te houden.
“De gelijkheid tussen vrouwen en mannen waarborgen is een werk dat niet stopt. Er moet systematisch rekening mee worden gehouden bij de ontwikkeling van het Brusselse beleid, bij het dagelijkse beheer van het gewest en bij de evaluatie van dit beleid en de ondernomen acties.” De Brusselse Raad voor gelijkheid tussen vrouwen en mannen (RGVM)
Waarom een advies van de RGVM?
In het advies van de Brusselse Raad voor gelijkheid tussen vrouwen en mannen van eind 2024 wordt een zeer complexe situatie uiteengezet. Een van de grootste uitdagingen voor de kinderopvangsector is het gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod voor kinderopvangplaatsen. Ondanks een verbetering van de dekkingsgraad tussen 2013 en 2022, bevestigt de RGVM dat deze nog lang niet volstaat. Bovendien vragen bepaalde gezinnen geen plaats aan, waaruit we kunnen afleiden dat ze de zoektocht hebben opgeven. Dat kan aan het plaatstekort liggen of omdat die gezinnen financiële of geografische toegankelijkheidsproblemen ondervinden. Tot slot benadrukt de RGVM de wanverhouding tussen vraag en aanbod, in het bijzonder als we de situatie niet alleen op gewestelijk niveau bekijken, maar ook per gemeente of wijk. Zo schrijft de Raad in zijn advies: “Er zijn grote verschillen, over het algemeen tussen de rijkere gemeenten in het zuidoosten, die een beter kinderopvangaanbod hebben, en de armere gemeenten in het noordoosten, die er minder goed voor staan.”
Wat staat in het advies?
Ter voorbereiding van dit nieuwe advies heeft de RGVM in 2024 een aantal hoorzittingen gehouden. Deze hoorzittingen werden gehouden met het kabinet van de minister-president van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Rudi Vervoort, perspective.brussels, de Ligue des familles en de Gezinsbond. Het advies bevat eisen aan de federale regering, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (BHG), de Federatie Wallonië-Brussel (FWB), de Vlaamse Gemeenschap (VG), de Franse Gemeenschapscommissie (FGC) en de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC). Er staan ook transversale aanbevelingen in voor de verschillende beleidsniveaus van het land en specifieke aanbevelingen van de RGVM over twee belangrijke thema’s:
aantal plaatsen en toegankelijkheid: het aantal plaatsen verhogen, focussen op wijken met een lage dekkingsgraad, inspelen op de vraag: geboorte- en ouderschapsverlof, peutertuin en opvangklassen, de financiële toegankelijkheid verhogen, het inschrijvingsproces vergemakkelijken en de kwaliteit van de opvang verbeteren en de inclusie van kinderen met specifieke behoeften versterken;
tewerkstelling en opleiding: de aantrekkelijkheid en werk- en loonomstandigheden van de sector verbeteren, administratieve procedures vereenvoudigen en teams ondersteunen, kinderopvang opnemen in een gewestelijke raamovereenkomst voor werkgelegenheid, opleiding en onderwijs, de initiële opleidingen bijwerken en uitbreiden en het mogelijk maken om buitenlandse diploma’s te erkennen.
Twee kinderverzorgsters namen het woord om hun ervaring te delen en te vertellen over hun dagelijkse uitdagingen, het gebrek aan waardering voor hun beroep, en de psychologische en fysieke gevolgen hiervan. Lees hier een van de twee getuigenissen:
Kinderen zien opgroeien, hun ontwikkeling volgen en zien hoe ze zelfstandig worden geeft enorm veel voldoening. We krijgen elke dag de kans om bij te dragen aan hun ontwikkeling en hen te begeleiden in deze essentiële fase van hun leven. Het is belangrijk om het vertrouwen van de ouders te hebben. Helaas is het een slechtbetaalde job die zowel fysiek als psychisch zijn tol eist. We worden blootgesteld aan stress, een constante mentale last en repetitieve handelingen: kinderen dragen, lang rechtstaan en voortdurend vooroverbuigen wat op lange termijn kan leiden tot musculoskeletale aandoeningen zoals rug-, schouder- en kniepijn. Die pijn wordt chronisch na verloop van tijd waardoor we met langdurig ziekteverlof moeten. Wanneer we dan terugkomen, krijgen we het gevoel dat we te lang zijn weggeweest. Ook onze geestelijke gezondheid heeft het zwaar te verduren: we moeten tegelijk omgaan met veeleisende en bezorgde ouders, onderbemande collega’s helpen en aan een hectisch tempo werken. Ons beroep lijdt onder een personeelstekort, een onaantrekkelijk imago, onvoldoende loon, beperkende werktijden en een gebrek aan erkenning voor een beroep waar je een roeping voor moet hebben. Voor de overgrote meerderheid van de vrouwen in dit beroep – die ook voor hun eigen gezin zorgen – is het erg moeilijk om een balans te vinden met het privé- en gezinsleven. Sommige kinderverzorgsters, zoals ik, hebben hun werkuren moeten verminderen omdat ze niet te combineren zijn met een gezinsleven. Anderen gaan deeltijds werken omdat ze uitgeput zijn, wat ten koste gaat van hun inkomen of carrière, of ze verlaten het beroep met spijt in het hart. We denken niet dat we het uithouden tot ons pensioen, want 45 jaar in een kinderopvang werken lijkt voor velen van ons echt onmogelijk. We willen dat ons beroep wordt erkend als een zwaar beroep, zodat we vroeg en waardig met pensioen kunnen gaan. Hoewel het een fantastisch beroep is, worden de werkomstandigheden steeds onzekerder: er is een gebrek aan aangepaste medische ondersteuning voor het personeel, aan erkenning van de zware aard van het werk en aan aanpassingen aan het einde van de loopbaan. Er moet dus dringend actie worden ondernomen om de kwaliteit van de kinderopvang en de gezondheid van de professionals, die zo gepassioneerd werken, te beschermen.” Gladys Romo Aguilera, al twintig jaar lang kinderverzorgster in een openbare kinderopvang in Brussel.
Over de RGVM
De Brusselse Raad voor gelijkheid tussen vrouwen en mannen is sinds 2012 het autonome adviesorgaan voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Hij brengt adviezen en aanbevelingen uit over onderwerpen met betrekking tot de gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Het bijzondere aan deze raad is zijn vierdelige samenstelling: sociale partners, de Nederlandstalige Vrouwenraad en de Conseil des Femmes Francophones de Belgique en relevante organisaties van het maatschappelijk middenveld en van de academische wereld. De Raad heeft de volgende opdrachten:
adviezen en aanbevelingen uitbrengen over alle materies met een mogelijke impact op de gelijkheid tussen vrouwen en mannen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
het thema van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen opvolgen, ook op andere beleidsniveaus, voor zover dit gevolgen heeft in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
een jaarverslag publiceren ter attentie van de Regering met betrekking tot de gevoerde activiteiten en de bestemming van zijn financiële middelen;
een publiek debat organiseren, eenmaal per jaar, met betrekking tot de Raad en de vooruitzichten voor de toekomst.